Onderstaand ontroerend verhaal werd geschreven door de op
het Canarische Eiland La Palma wonende Soni Mayer. Deze van -oorsprong Duitse-
dierenliefhebber was een fervent dierenbeschermster en een van de eerste
contacten waar AAI mee samenwerkte. Soni Mayer is overleden in 2004.
Luna, mijn leven als kettinghond
Nu heet ik Luna, vroeger heette ik ‘kleine hond’ en daarna gewoon ‘hond’.
Mijn leven – mensen noemen het ‘het lot’ – deel ik met veel soortgenoten. Het
is geen leven, het is overleven: jezelf verstoppen, met stenen bekogeld worden,
weggetrapt worden, onbeschermd vastgebonden zitten in zon, regen en wind,
nauwelijks eten en vaak geen water om te drinken. Jaar in jaar uit zonder een
aai, zonder gezelschap.
Toen ik nog klein was, mocht ik vrij rondlopen en spelen en was ik bij mijn
moeder. Vroeger zeiden de mensen nog over mijn moeder: "Kijk eens wat een mooie
hond!", maar een mooie hond is mijn moeder al lang niet meer. Haar vacht is dof
en vies, op sommige stukken zie je al helemaal geen vacht meer. Haar ogen
kijken oneindig verdrietig naar een wereld die ze niet meer begrijpt. Haar oren
zitten vol wonden en haar nek is kaal van de korte roestige, zware ketting
waaraan ze dag en nacht vastzit, ze kan drie stappen naar voren en drie stappen
naar achteren doen, meer niet. Ik hoor de ketting rinkelen in mijn dromen.
Mijn moeder gaat steeds minder eten. Ik probeer in de zomerhitte een beetje
schaduw te krijgen door tegen haar aan te gaan liggen. Die nacht kijkt ze me
met haar vermoeide ogen zo verdrietig aan, ze geeft mij een zachte, liefdevolle
lik over mijn neus. Langzaam wordt haar adem weggedragen door de wind. Ze
kreunt nog even en haar adem stopt. Daar ligt ze, dood aan haar ketting.
De volgende dag komt de baas en maakt mijn moeder los. Terwijl ik jank en
huil gooit hij haar in het ravijn. En dan krijg ik de ketting van mijn moeder
om mijn nek. Hij is zwaar en is te strak om mijn nek gedaan; ik kan nauwelijks
meer ademhalen. De ketting is vastgemaakt aan een dode amandelboom. Voorbij is
mijn leven van rennen, springen en een beetje spelen met de magere buurtkatten. Ik hoop iedere dag weer dat mijn
baas mij tenminste een uurtje vrij laat lopen, en als hij er aan komt doe ik
alles om zijn aandacht te krijgen. Maar hij kijkt niet naar mij om.
De dagen en nachten duren lang en vaak hoor ik de andere kettinghonden
huilen en janken in de bergen en dalen. In de winter is het zo koud. Als het
gaat regenen, word ik drijfnat want ik kan nergens schuilen. In de zomer is de
droge hitte een kwelling. Mijn vacht begint er slecht uit te zien: dof en ik
heb last van vlooien die mijn bloed zuigen en steekvliegen die de randen van
mijn oren aanvreten. In de bak waarin wat water voor mij zit, zitten algen en
kronkelen muggenlarven. Ik krijg aardappel- en bananenschillen te eten, maar
vaak ook vergeet de baas mij eten te geven. In de verte hoor ik kinderen lachen
en zingen. Wat zijn ze vrolijk. Waarom komen ze niet naar mij toe, wat had ik
graag met ze gespeeld, mij laten aaien. Maar ze komen niet. Een hond is maar een
hond. Hij is vies en stinkt en heeft vlooien. Niemand vraagt zich af hoe dat is
gekomen.
En zo gaan de jaren voorbij. Ik ben zo verzwakt, ik kan bijna niet meer
staan en ik schuur met mijn buik over de grond. De katten die zo nu en dan nog
eens langslopen zijn net zo mager als ik, en in hun doffe, groene ogen lees ik
dezelfde ellende die ik doormaak. Op een dag zegt mijn baas tegen zijn vrouw
dat ik te oud ben en dat ik niet meer kan blaffen. Zijn vrouw, die haar eigen
kinderen altijd zo vrolijk en lief behandeld, heeft nog nooit naar mij
omgekeken. Ze zeggen tegen elkaar dat ze een hekel aan honden hebben. Waarom
moet ik dan bij hen blijven? Ze begrijpen niet dat ook ik verlang naar
vriendelijkheid, naar een aai. Ze zien niet dat ik iedere keer verlangend naar
hen kijk voor een beetje meer eten, voor de verzorging van de wonden aan mijn
oren, voor de behandeling van mijn huid die overal pijn doet.
Ik kruip steeds meer in mijzelf, net zoals mijn moeder vroeger, ik sluit
mijn ogen voor de zon en droom van een hondenvriendje om mee te spelen. Ik
droom van mensenhanden die mij niet slaan maar aaien, van kinderen die met mij
door de velden rennen en van baasjes die mijn vrienden zijn. Ik droom van
vleesbotten waarop ik mag knauwen, van eten dat niet stinkt, van prachtige
avonden waarop we gezellig samen zijn. In mijn dromen speel ik, ren ik vrolijk
rond en mijn pootjes bewegen dan alsof dat allemaal echt gebeurt. Maar ik droom
steeds minder.
En dan op een ochtend gebeurt er iets. Mijn baas komt er aan en de angst
slaat me om het hart. Wat gaat hij doen? Hij kijkt zo boos naar mij. Hij trekt
de ketting van mijn nek en gooit die op de grond. Hij sleept me naar zijn
aanhangwagen en smijt mij daarin als een oude lap, ik blijf verdoofd en in
elkaar gekrompen liggen. Nu zal het mijn beurt zijn om in het ravijn te worden
gegooid, net zoals mijn moeder. Mijn hart gaat als een razende te keer en ik
houd mijn ogen stijf dicht uit angst voor wat gaat komen. De auto rijdt lange
tijd over een hobbelige weg en staat dan plotseling stil. En dan komt mijn baas
er aan. Hij pakt mij op, gooit mij op de grond en rijdt weg. Ik blijf liggen.
Ik ben helemaal stijf geworden en ik denk dat ik niet meer leef. Maar dan
toch…….ik kan opstaan en loop een stukje. Geen ketting!
En zo zwerf ik
door bossen en over velden. Bij de huizen waar ik langsloop vind ik soms wat
eetbaars in de vuilnisbakken. Op een dag ruik ik een heerlijke vleesgeur…….ik
hoor muziek en gelach van mensen. Ik hoop dat daar misschien nog wel een stukje
vlees voor mij over is en misschien ook wat water. Maar wat een begroeting
krijg ik…. Ik hoor vrouwen die schreeuwen: "Weg jij, smerige hond". Een paar
mannen en jongens gooien stenen en gloeiende houtskool naar mij. Niemand heeft
medelijden met me. De mensen vieren feest met elkaar, maar ik hoor daar niet
bij. Teleurgesteld loop ik weer verder. Ik heb zo’n honger en dorst, ik ben zo
verzwakt, ik sleep me voort. Mijn pootjes laten bloedsporen na. Dan laat ik mij
vallen voor de poort van een huis. Ik ben uitgeput. De jaren aan de ketting
zijn zwaar geweest, maar hoe ellendig is mijn vrijheid gebleken…..
En dan gebeurt er iets……..ik hoor vlakbij vriendelijke stemmen, ik word
opgetild door zachte handen en meegenomen naar een huis. Daar word ik heel
voorzichtig op een dekentje gelegd, mijn hete snuit wordt met een vochtige doek
gekoeld en ik kijk recht in liefdevolle mensenogen. Er wordt een grote kom
water voor mij neergezet en ik drink hem helemaal leeg. Ik word weer neergelegd
op de zachte deken en val in een diepe slaap. Ik moet heel lang geslapen
hebben. Ik word wakker en heerlijke geuren van vlees en groente dringen mijn
neusgaten binnen. Ik hef mijn kop op. Dit moet een droom zijn. Maar ik word
geaaid en er wordt een bak eten voor mij neergezet. Ik val aan op het eten en
klem de bak goed vast met mijn poten zodat niemand die meer van mij kan
afpakken. Het is zo vreselijk lekker dat ik alles opeet en ik kan bijna niet
meer stoppen met het schoonlikken van de bak. Ik plof weer neer en doe mijn
ogen dicht. Wat er ook nog mag gebeuren, dit heb ik tenminste gehad.
Plotseling hoor ik hondengeblaf vlakbij. Ik doe mijn ogen open en zie een
heleboel nieuwsgierige hondenogen op mij gericht. De honden raken met hun neus
mijn neus aan en strijken met hun poten over mijn pijnlijke vel. Kleine pups
vleien zich tegen mijn lijf aan. En zo word ik welkom geheten. Eindelijk ben ik
thuis, mijn droom is in vervulling gegaan. Ik hoor ergens bij: één grote
mensen- en hondenfamilie!
Mijn nieuwe bazinnetje
noemt mij "Luna". Ik geef mijn nieuwe bazen likjes en ik speel met de andere
honden in het veld. Eerst bibber ik nog als mijn nieuwe baasjes mij aanraken,
omdat ik dan een klap verwacht. Dan kruip ik in elkaar met mijn staart tussen
mijn poten. Maar al snel leer ik dat ik niet meer
geslagen en geschopt word en ik druk me tegen de benen van mijn vrouwtje
aan om haar hand op mijn kop te voelen. Ik hou van haar met heel mijn hart.……
Vaak droom ik nog van mijn moeder, van haar treurige ogen, haar onmacht en
verdriet en dan hoor ik weer het gerinkel van de ketting. Ik voel dan weer de
angst voor de dag van morgen, voor de hitte, voor de kou, voor de honger en de
dorst, voor een trap tegen mijn uitgemergelde lijf.
Ik word zachtjes piepend wakker, maar alles is goed nu: al mij
hondenvriendjes liggen uitgestrekt op zachte warme dekens te slapen. Ik hoef
mij geen zorgen meer te maken want ik verlang naar de dag van morgen en ik ga
steeds minder dromen over het verleden. Nu droom ik van hoe leuk ik speel met
de andere honden, hoe lief mijn baasjes zijn: ik heb het paradijs gevonden…..